Onregelmatige werkwoorden volgen geen vaste regel; je moet de vormen leren. Hier oefen je alleen de verleden tijd (past simple).
Drie vormen
Elk werkwoord heeft: hele werkwoord – verleden tijd – voltooid deelwoord.
- go → went → gone
- see → saw → seen
- buy → bought → bought
Hardop leren
Zeg het rijtje hardop op; zo blijft het het beste hangen.
Let op De verleden tijd is voor iedereen gelijk: I went, she went, they went.