Engels oefenen · NL ↔ EN

Word beter in Engels.

Oefen per lesmethode precies wat je op school hebt, of pak een algemeen onderwerp — met directe feedback en een echt cijfer als je een toets maakt.

Begin met oefenen Hoe werkt het?
83
sets
2004
opgaven
1–10
cijfer

Per lesmethode

Precies wat je op school hebt · 2 methodes

lesmethode Eisma

Library

2 hoofdstukken · 11 sets · 705 opgaven

vwo 3
lesmethode Noordhoff

Stepping Stones 2 havo/vwo

1 hoofdstuk · 2 sets · 168 opgaven

havo/vwo 2

Algemeen oefenen

Grammatica, werkwoorden en woordenschat · 70 sets

Grammatica

Grammatica15 opgaven

For, since en ago

tijdsduur, startpunt of terugtellen?

Grammatica12 opgaven

Grammatica — Kiezen maar

a/an, some/any, much/many en meer

Grammatica12 opgaven

Lidwoorden: a / an / the

Wanneer welk lidwoord?

Grammatica34 opgaven

Past Simple

De verleden tijd vormen (regelmatig + onregelmatig)

Grammatica12 opgaven

Present Simple

Alleen de tegenwoordige tijd: -s, spelling en do/does

Grammatica10 opgaven

Some / any / much / many

Hoeveelheden aangeven

Grammatica16 opgaven

Then of than?

allebei 'dan' in het Nederlands

Grammatica10 opgaven

Voornaamwoorden

I / me / my / mine en de rest

Grammatica16 opgaven

Wederkerende voornaamwoorden

myself, yourself, himself …

Grammatica10 opgaven

Modale hulpwerkwoorden

can / could / must / should / may

Grammatica7 opgaven

Past Simple — verhaaltjes

Zet alle werkwoorden in een tekst in de verleden tijd

Grammatica32 opgaven

Past Simple — vragen & ontkenningen

did / didn't + heel werkwoord

Grammatica12 opgaven

Present Perfect

have / has + voltooid deelwoord

Grammatica10 opgaven

Present Simple & Continuous

Vul de juiste vorm van het werkwoord in

Grammatica10 opgaven

Toekomst: will of going to

Voorspelling, plan of spontaan besluit

Grammatica12 opgaven

Trappen van vergelijking

-er / -est en more / most

Grammatica10 opgaven

Verwarrende woorden

its/it's · there/their/they're · your/you're

Grammatica10 opgaven

Betrekkelijke voornaamwoorden

who / which / that / whose

Grammatica26 opgaven

Easily confused words

advice/advise, affect/effect, lend/borrow…

Grammatica10 opgaven

If-zinnen (conditionals)

Zero, first en second conditional

Grammatica12 opgaven

Past Simple of Present Perfect?

Wanneer gebruik je welke?

Grammatica16 opgaven

Verwarrende woorden — invullen

Zelf het juiste woord typen (geen keuzes)

Lijdende vorm

Lijdende vorm16 opgaven

Actief & passief mix — makkelijk

Meerkeuze: kies de juiste vorm

Lijdende vorm24 opgaven

Actief of passief?

Herken de lijdende en bedrijvende vorm

Lijdende vorm16 opgaven

Actief & passief mix — gemiddeld

Vul zelf de juiste vorm in

Lijdende vorm24 opgaven

Present Simple Passive

The house is built.

Lijdende vorm14 opgaven

Get passive

got + voltooid deelwoord (informeel)

Lijdende vorm12 opgaven

Lijdende vorm — veelgemaakte fouten

Welke zin is goed?

Lijdende vorm22 opgaven

Present Continuous Passive

The house is being built.

Lijdende vorm22 opgaven

Present Perfect Passive

The house has been built.

Lijdende vorm18 opgaven

Actief & passief mix

Present simple · past simple · present continuous

Lijdende vorm22 opgaven

Double object passive

She was given a present.

Lijdende vorm22 opgaven

Future & Modal Passive

It will be / can be / must be built.

Lijdende vorm14 opgaven

Have something done

iets láten doen: have + ding + deelwoord

Lijdende vorm27 opgaven

Lijdende vorm — alle tijden

Mix: alle tijden door elkaar

Werkwoorden

Werkwoorden8 opgaven

Het werkwoord 'to be'

De rijtjes: am / is / are en was / were

Werkwoorden7 opgaven

Het werkwoord 'to have'

De rijtjes: have / has en had

Werkwoorden12 opgaven

Onregelmatige werkwoorden · Niveau 1

Makkelijk — alleen de verleden tijd

Werkwoorden18 opgaven

Onregelmatige werkwoorden · Niveau 2

Gemiddeld — verleden tijd én voltooid deelwoord

Werkwoorden12 opgaven

Regelmatige werkwoorden: -ed

De spelling van de verleden tijd

Werkwoorden19 opgaven

Onregelmatige werkwoorden · Niveau 3

Moeilijk — de lastige rijtjes

Werkwoorden12 opgaven

Onregelmatige werkwoorden · Niveau 4

Expert — de minder bekende

Werkwoorden20 opgaven

Voltooid deelwoord trainen

Pittig — alleen het past participle

Werkwoorden14 opgaven

Onregelmatige werkwoorden · Niveau 5

Nog meer — zelfde vorm voor past & participle

Woordenschat

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Dieren

Op de boerderij en in het wild

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Eten & drinken

In de keuken en aan tafel

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Familie

Iedereen om je heen

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Het lichaam

Van hoofd tot voet

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Op school

De klas, het rooster en je spullen

Woordenschat22 opgaven

Adjectives — tegenstellingen

Het tegenovergestelde bijvoeglijk naamwoord

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Dagelijks leven

Vertaal van Nederlands naar Engels

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Sport & hobby's

Wat doe je in je vrije tijd?

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Beroepen

Wat wil jij later worden?

Woordenschat20 opgaven

Woordenschat — Natuur & weer

Buiten en in de lucht

Woordenschat18 opgaven

Woordenschat — Reizen

Op vakantie, op het vliegveld, onderweg

Woordvorming

Woordvorming12 opgaven

Voorvoegsel un- (tegenstellingen)

happy → unhappy

Woordvorming12 opgaven

Achtervoegsels -ful en -less

careful / careless

Woordvorming12 opgaven

Personen: -er / -or / -ist

teach → teacher

Woordvorming12 opgaven

Zelfstandige naamwoorden maken

-tion / -ment / -ness

Woordvorming12 opgaven

Negatieve voorvoegsels

un / in / im / ir / il / dis

Woordvorming12 opgaven

Woordvorming in zinnen

Maak de juiste vorm van het woord

Hoe werkt het

Drie stappen

  1. 01

    Kies een set

    Pak een onderwerp uit de inhoudsopgave dat past bij wat je leert op school.

  2. 02

    Oefen met feedback

    Vul je antwoord in en controleer het meteen. Fout? Je ziet direct het goede antwoord.

  3. 03

    Maak de toets

    Test jezelf zonder hints. Aan het eind krijg je je score én een Nederlands cijfer.