Typ het Engelse woord. Een lidwoord (a/the) mag je weglaten. Let op de spelling — die telt mee!
Leerlijst — Nederlands → Engels
- het huis
- house
- de school
- school
- de vriend / vriendin
- friend
- het ontbijt
- breakfast
- morgen (de dag erna)
- tomorrow
- gisteren
- yesterday
- altijd
- always
- samen
- together
- gelukkig (blij)
- happy
- moeilijk
- difficult / hard
- het weer
- weather
- genoeg
- enough
- de week
- week
- het jaar
- year
- vandaag
- today
- nooit
- never
- soms
- sometimes
- misschien
- maybe / perhaps
- belangrijk
- important
- klaar (af)
- ready / finished / done
Zo leer je Dek de Engelse kant af en overhoor jezelf. Ga daarna oefenen en herhaal de woorden die fout gingen — let op de spelling.