← Inhoudsopgave

Grammatica · uitleg

Past Simple

  1. 1Uitleg
  2. 2Oefenen
  3. 3Toets

De past simple gebruik je voor afgesloten gebeurtenissen in het verleden, vaak met yesterday, ago, last week of in 2020.

Regelmatige werkwoorden krijgen -ed. Onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm (de tweede rij: go → went). De vorm is voor alle personen gelijk.

Vorm regelmatig: werkwoord + -ed · onregelmatig: 2e vorm (go → went)

Regelmatig + -ed

Let op de spelling: stop → stopped, study → studied.

  • I played
  • she watched
  • they studied

Onregelmatig

Eigen vorm — leren!

  • go → went
  • see → saw
  • have → had

to be: was / were

I/he/she/it was; you/we/they were.

  • I was tired.
  • They were happy.

Let op De past simple is voor iedereen gelijk: I went, she went, they went (geen -s).