to be (zijn) is het belangrijkste werkwoord van het Engels. Je gebruikt het overal, dus de rijtjes moet je echt uit je hoofd kennen.
Tegenwoordige tijd
am / is / are.
- I am
- he / she / it is
- you / we / they are
Verleden tijd
was / were.
- I / he / she / it was
- you / we / they were
Vraag & ontkenning
Zet 'to be' vooraan voor een vraag; zet 'not' erachter om te ontkennen.
- Are you ready?
- She isn't here.
Let op Bij he/she/it gebruik je is (heden) en was (verleden) — enkelvoud.