Past continuous (was/were + werkwoord-ing) = iets was bezig in het verleden.
Vorm
was / were + werkwoord-ing
Vorm
- I was watching TV.
- They were playing.
Vaak met when / while
Een langere handeling die onderbroken werd.
- While I was cooking, the phone rang.
Let op I/he/she/it → was; you/we/they → were.